Iedere konijnenfokker kan je onmiddellijk een dier aantonen, dat behept is met een wam en steevast zal hij je er ook bij vertellen, dat het een oudere voedster is, waarmee reeds menigmaal gefokt is. Andere liefhebbers zullen komen aandraven met de uitleg, dat deze dieren de beste fokdieren zijn en de meest zachtaardige. Een ander verhaal dat herhaaldelijk opduikt is, dat men te royaal omspringt met de voeding, zodat er abnormaal veel vet gevormd wordt ,dat dan dit verschijnsel typeert. Hoe ook, er zal wel een kern van waarheid inzitten in deze liethebberswijsheid maar het intrigeert me toch geweldig, waarom een héél jong dier, dat een normale hoeveelheid voeding krijgt, waarmee nog niet gefokt is, reeds tekenen van aanleg tot wamvorming vertoont.

Onlangs las ik in het tijdschrift van de konijnenfokkers van Gullegem een zeer interessant artikel over het verschijnsel "wam" van de hand van Luc Wante. Daarin gaf hij een goede beschrijving van dit fenomeen en wat de eventuele oorzaken zouden kunnen zijn. Hij sprak van het feit, dat wamvorming een steeds wederkerende frustratie is voor de fokker en dat je het een noodzakelijk kwaad kunt noemen. Verder haalde hij aan, dat melkproductie plus het aanleggen van vetreserves voor het toekomstige kroost belangrijke punten zijn in het proces naar wamvorming. Desalniettemin bleef ik toch ergens op mijn honger zitten, met de prangende vraag, waarom juist de wam zich vertoont en manifesteert op die specifieke plaats. Men zou kunnen zeggen het is nu eenmaal zo. Dus: so what.

Een goede definitie geven van een wam is eigenlijk niet zo moeilijk maar toch moest ik verscheidene boeken naast elkaar leggen en het één en het ander samenvoegen om een redelijke aanvaardbare uitleg daarvoor te verkrijgen. Eigenlijk begint het allemaal met een haarstuwing, die overgaat van een wamaanzet naar een eigenlijke wam. Deze laatste kan dan voorkomen in verschillende vormen, zoals een dubbele, een scheve, een gedraaide, een rol en een beenwam.

Maar een wam op zichzelf is eigenlijk een huidplooi gevormd door onderhuids vetweefsel, dat op de keel ligt. Liefst zien we die volgens de standaard zo hoog mogelijk op de keel, enkelvoudig, zo klein mogelijk, de plooi horizontaal en met de vorm van een zwaluwnest.

Na dit alles en tevens met een duidelijke definitie hebben we nog steeds het verschijnsel niet exact kunnen verklaren.

Laat ons eerst stellen dat de fokkers enigszins gelijk hebben als ze zeggen, dat de wam zich meestal manifesteert bij oudere voedsters en dat ook de voeding een belangrijke rol speelt. Ook de grootte en rasvariëteit zijn belangrijk. Eveneens mag men stellen, dat een wam kan ingefokt worden in een stam en dus gedeeltelijk erfelijk is. Echter heeft een observatie gedurende langere tijd van een groot aantal voedsters, zowel bij een groot als bij een dwergras, mij gesterkt in mijn vermoedens dat ruim viervijfde van de voedsters op zéér jonge leeftijd en dan spreek ik van een ouderdom van drie maanden, reeds aanleg vertoont tot haarstuwing, los in borstvel en enige wamvorming. Waarschijnlijk zijn zowel de structuur van het vetweefsel als de geslachtshormonen hiervoor verantwoordelijk. Eigenlijk is de wam een secundair vrouwelijk geslachtskenmerk. Vrouwelijk, omdat de voedster behoorlijk meer vetmassa heeft dan de ram. Men mag rekenen dat een voedster vijfentwintig procent vetmassa heeft en een ram vijftien procent. En nu komen we met dit laatste gegeven tot de oplossing van de vraag gesteld in het begin van dit artikel. Een wam wordt gevormd door een vetmassa, aanwezig in het lichaam van een voedster, samen met de erfelijke factor die bepaald, dat die vetmassa bij een voedster anders gestockeerd wordt, dan bij de ram. Verder speelt ook het geslachtshormoon oestrogeen een grote rol bij het produceren van deze vetmassa. Dit hormoon produceert een bepaald enzym dat zorgt voor het stockeren van vet op bepaalde plaatsen. Deze vetophopingen drukken de bloedvaten samen zodat de vezelstructuur van de huid verstoord wordt met als gevolg het ontstaan van een huidplooi en het verschijnsel wam. Het staat als een paal boven water vast, dat eenmaal dat vet er zit het met geen stokken meer weg te krijgen is. Verminderen van de hoeveelheid voedsel of het niet inzetten voor de fok doet de wam niet verdwijnen. Eenmaal aanwezig, altijd aanwezig. Daarom is het zeker niet aangewezen een ram met een wam in te schakelen voor de fok. Die ram bezit dan veel te veel vrouwelijke hormonen die gecombineerd met een voedster desastreuze gevolgen zou hebben.

Om te besluiten zou ik willen terugkomen op de woorden van Luc Wante waar hij stelde dat wamvorming een noodzakelijk kwaad kan genoemd worden. Daarom ben ik een voorstander om eens te overwegen bij jonge voedsters een klein wammetje of desnoods een haarstuwing tot te laten Laat ons concreet worden: bij kleine- en dwergrassen is het bijvoorbeeld praktisch onmogelijk hangoordwergen of klein chinchillavoedsters te showen zonder een haarstuwing of iets los in borstvel. Liefhebbers en keurmeesters besef dat het bijna niet anders kan, want het zit gebakken in de genen van het vrouwelijk konijn.

Rudi Pauwels officieel keurmeester